Stel je voor dat je ruzie hebt met een vriend. Jij zegt: "Jij bent te laat gekomen." Dat is een feit, een beschrijving van wat er gebeurd is. Je vriend zegt: "Ja, maar je zou niet boos moeten zijn." Dat is een oordeel over hoe de wereld zou moeten zijn.
▶Inhoudsopgave
Het is een groot verschil tussen wat is en wat zou moeten zijn.
In de filosofie noemen we dit de beroemde "is-ought kloof". Dit is een lastig probleem dat al eeuwenlang filosofen bezighoudt, en één specifieke stroming probeerde dit op te lossen: het positivisme. Laten we eens kijken hoe ze dat deden en of het ze echt gelukt is.
Wat is die is-ought kloof eigenlijk?
De is-ought kloof is een idee dat vooral beroemd is geworden door de filosoof David Hume, en later door A.J. Ayer. Het simpele idee is dit: je kunt geen morele regel halen uit een feit.
Je kunt feiten waarnemen met je zintuigen, maar je kunt geen "moeten" waarnemen.
Stel, ik zeg: "Dit dier lijdt pijn." Dat is een feit. Ik kan het zien, meten of testen. Maar als ik daaruit wil afleiden: "Daarom moet je dit dier niet pijnigen," spring ik ineens over een gat.
Waarom moet je dat niet? Het feit dat het dier lijdt, zegt op zichzelf nog niet dat pijnigen verboden is. Je hebt een extra waarde nodig, bijvoorbeeld: "Pijn is slecht." Die waarde zit niet in het feit zelf. De kloof zit hem dus in de logische sprong van beschrijven ("is") naar voorschrijven ("ought").
Veel mensen vinden dit lastig. Ze willen graag dat hun morele overtuigingen gewoon "waar" zijn, net als feiten.
En precies daar sprong het positivisme op in.
Wat is het positivisme?
Voordat we kijken naar de oplossing, moeten we even begrijpen wat het positivisme is. Stel je voor dat je in de jaren twintig of dertig van de vorige eeuw leefde. De wetenschap maakte enorme sprongen.
Denk aan de natuurkunde van Einstein of de biologie van Darwin. Het positivisme is een filosofische stroming die zei: "Laten we de methoden van de natuurwetenschap gebruiken voor álles, ook voor filosofie en ethiek."
Een belangrijk idee van het positivisme is de verificatietheorie. Dit houdt in: een zin heeft alleen zin als je kunt bedenken hoe je hem zou kunnen controleren of testen.
Als ik zeg "de tafel is blauw", kun je dat nakijken. Als ik zeg "de geest van mijn overgrootvader waart door de kamer", kun je dat niet testen. Volgens de strengste positivisten was zo'n uitspraak dan ook onzin.
Het positivisme wilde filosofie schoonvegen. Weg met vaag gedoe over God, ziel of metafysica.
Alleen wat meetbaar en waarneembaar is, telt. Maar hoe zit het dan met ethiek? Want ethiek lijkt niet direct meetbaar.
De positivistische truc: emoties als feiten?
Hoe probeerde het positivisme nu die is-ought kloof te overbruggen? De bekendste poging komt van A.J.
Ayer, een Britse filosoof. Hij zei eigenlijk: "De kloof is geen probleem, want morele uitspraken zijn geen echte uitspraken over de wereld."
Volgens Ayer is een morele uitspraak als "diefstal is fout" eigenlijk niet een beschrijving van een feit. Je kunt niet "foutheid" zien of meten, net zoals je kleur of gewicht kunt meten. In plaats daarvan is een morele uitspraak een uitdrukking van emotie. Als ik zeg "diefstal is fout", bedoel ik eigenlijk "boe, diefstal!" of "ik keur diefstal af."
Dit noemt hij het emotivisme. Het is een manier om de is-ought kloof te omzeilen door te zeggen dat "ought"-uitspraken eigenlijk gewoon "is"-uitspraken zijn over onze eigen gevoelens.
Als ik zeg "je moet eerlijk zijn", zeg ik feitelijk "ik voel een positieve emotie bij eerlijkheid." Omdat gevoelens bestaan (ze zijn een feitelijk psychologisch verschijnsel), zou je morele taal wetenschappelijk kunnen verklaren. Deze benadering was brutaal en slim. Het maakte ethiek tot een onderdeel van de psychologie.
Het betekende wel dat morele waarden niet objectief waren. Ze waren niet "waar" of "onwaar", maar slechts voorkeuren.
De reduceerbaarheid van waarden
Een andere manier waarop positivisten de kloof probeerden te dichten, was door morele termen te herleiden (te reduceren) tot feitelijke eigenschappen. Sommige positivisten dachten: als we maar genoeg feiten verzamelen, kunnen we morele oordelen "vertalen" naar feitelijke taal.
Bijvoorbeeld: de uitspraak "X is goed" zou vertaald kunnen worden naar "X heeft de eigenschap P, Q en R." Als we kunnen waarnemen dat X eigenschap P, Q en R heeft (bijvoorbeeld: het veroorzaakt geluk, het is stabiel, etc.), dan zouden we feitelijk kunnen vaststellen dat X goed is. Het idee was dat waarden niet mysterieus waren, maar gewoon complexe feiten. Dit sloot aan bij het wetenschappelijke optimisme van die tijd.
Alles moest te verklaren zijn. De is-ought kloof werd gezien als een tijdelijk probleem dat opgelost zou worden zodra we onze taal en onze metingen maar ver genoeg ontwikkelden.
Waarom de aanpak niet werkte
Helaas voor de positivisten bleek de kloof groter dan gedacht. De pogingen om de is-ought kloof te omzeilen liepen op verschillende problemen vast. Allereerst was er het is-ought probleem zelf, waarbij men vaak ten onrechte vertrouwt op morele intuïties als brug, dat bleef bestaan.
Stel dat we wetenschappelijk bewijzen dat eerlijkheid zorgt voor een stabielere samenleving (een feit).
Betekent dat automatisch dat we eerlijk moeten zijn? Nee. Je hebt nog steeds die extra stap nodig: "en stabiliteit is goed." Die waarde "goed" haal je niet uit het feit "stabiliteit."
Ten tweede was er het probleem van de waarneming. Feiten zijn waarneembaar. Morele "goedheid" is dat niet. Je kunt een daad zien, maar je ziet de "goedheid" er niet aan af, net zoals je kleur ziet.
Positivisten moesten dus heel ingewikkelde constructies bedenken om morele feiten "zichtbaar" te maken, wat eigenlijk nooit lukte.
Ten derde was er de kritiek van filosofen zoals G.E. Moore. Hij zei dat je "goed" niet kunt definiëren door feiten. Dit noemde hij de "naturalistische drogreden." Je kunt wel zeggen "goed is wat aangenaam is," maar dat is maar een definitie. Je kunt altijd vragen: "maar is aangenaam goed?" De positivistische pogingen om deze definitie vast te pinnen, faalden omdat ze de waarde "goed" niet konden vangen in een feitelijk kader.
Bovendien had het emotivisme een groot nadeel. Als morele uitspraken alleen maar uitingen van emoties zijn, verliezen ze hun kracht in een discussie.
Je kunt niet discussiëren over gevoelens; je kunt ze alleen delen. Als ik zeg "diefstal is fout" en jij zegt "diefstal is leuk", dan is er geen gesprek meer mogelijk, alleen maar een botsing van gevoelens.
Dit voelde voor veel mensen als een verarming van de ethiek.
De erfenis van het positivisme
Hoewel het strengste positivisme in de filosofie grotendeels is verlaten, heeft het wel een blijvende impact gehad op hoe we naar de is-ought kloof kijken. Het dwong ons om kritisch te kijken naar taal. Het leerde ons dat we oppassen moeten met vage woorden en dat we moeten helder maken wat we precies bedoelen.
De poging van het positivisme om de kloof te omzeilen, liet vooral zien hoe moeilijk het is om waarden te baseren op feiten alleen.
We weten nu dat je niet zomaar kunt springen van "is" naar "ought" zonder een waardeoordeel te vellen. Toch blijft het een verleidelijke gedachte.
In een tijd waarin data en feiten steeds belangrijker worden, proberen we soms nog steeds morele keuzes te baseren op "harde cijfers". Denk aan beleid dat gebaseerd is op economische modellen of risicoanalyses. Maar net als in de tijd van het positivisme, blijft de vraag: zeggen die cijfers echt wat we moeten doen?
Uiteindelijk is de is-ought kloof misschien niet iets dat we kunnen overbruggen met logica alleen, maar iets dat we moeten accepteren als onderdeel van het menselijk bestaan.
We leven in een wereld van feiten, maar we handelen vanuit waarden. Het positivisme probeerde die twee te verenigen, maar slaagde er vooral in om ons te laten zien waarom ze eigenlijk verschillend zijn.
Veelgestelde vragen
Hoe kan ik de kloof tussen 'is' en 'ought' overbruggen?
De filosoof Ayer stelde voor dat we emoties kunnen beschouwen als feiten. Als we bijvoorbeeld zeggen dat een dier pijn lijdt, is dat een waarneming die we kunnen verifiëren. Daarmee kunnen we een basis leggen voor het oordeel dat het niet mocht lijden, door de emotie van afschuw te koppelen aan een meetbare, observeerbare feit.
Wat is precies de 'is-ought' kloof?
De 'is-ought' kloof, bedacht door Hume en Ayer, wijst op het probleem dat we geen morele regels kunnen afleiden uit feiten. Het is een sprong van het beschrijven van een situatie ("dit dier lijdt pijn") naar het voorschrijven van een handeling ("daarom moet je dit dier niet pijnigen").
Wat is het positivisme en hoe probeerde het deze kloof te overbruggen?
Het positivisme, een filosofische stroming uit de 20e eeuw, stelde dat we wetenschappelijke methoden moeten toepassen op alle kennisgebieden, inclusief filosofie en ethiek. Ayer, een belangrijk positivist, probeerde de 'is-ought' kloof te overbruggen door emoties te beschouwen als feiten, waardoor we een basis konden leggen voor morele oordelen.
Wat is de verificatietheorie binnen het positivisme?
Volgens de verificatietheorie van het positivisme is een uitspraak alleen betekenisvol als je kunt bepalen hoe je hem zou kunnen controleren of testen. Een uitspraak als "de geest van mijn overgrootvader waart door de kamer" is bijvoorbeeld onmogelijk te verifiëren en dus onzin volgens de strengste positivisten.
Wat is het verschil tussen feiten en oordelen?
Een feit is een beschrijving van de wereld, zoals "dit dier lijdt pijn," wat we kunnen waarnemen en meten. Een oordeel is een mening of waardering, zoals "je zou niet boos moeten zijn," die geen objectieve waarheid is, maar een persoonlijke interpretatie van de situatie.